← Insights

KvK-pressiemiddel om contributie te innen is in strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM en creëert goedkope ontbindingsroute

7 August 2026

Wie de Kamer van Koophandel en Nijverheid Curaçao (Kvk) beschouwt als een louter administratief loket, onderschat de macht die het orgaan sinds de Landsverordening van 20 december 2016 (P.B. 2016, no. 80) in handen heeft gekregen. Sindsdien luidt artikel 25 Boek 2 BW niet langer dat de Kvk de rechter om ontbinding moet verzóéken — de Kvk ontbindt een rechtspersoon voortaan zelf, bij eigen beschikking, zonder dat daar enige rechterlijke toets aan voorafgaat. Een van de twee gronden daarvoor: de rechtspersoon heeft “gedurende ten minste een jaar” het voor inschrijving in het handelsregister verschuldigde bedrag niet betaald. Wat ooit een verzoek aan de rechter was, is nu een eenzijdige overheidsbeslissing; wat ooit een wachttermijn van twee jaar kende, is teruggebracht tot één jaar. Daarmee is het instrument niet alleen ingrijpender, maar ook een stuk lichter te activeren dan onder de oude regeling.

Van rechterlijke ontbinding naar eigen beschikking

Onder het regime van vóór 2016 kon de Kvk niet meer doen dan de rechter vrágen om ontbinding uit te spreken; de rechter beoordeelde zelfstandig of aan de voorwaarden was voldaan en kon de rechtspersoon eerst nog de gelegenheid geven de tekortkoming te herstellen. Sinds de wetswijziging van 2016 is die rechterlijke tussenkomst vooraf geheel verdwenen. De Kvk kondigt haar voornemen tot ontbinding aan door de rechtspersoon op een “ontbindingslijst” op haar eigen website te plaatsen en dat voornemen te publiceren in het publicatieblad en in lokale dagbladen. Zes weken later ontbindt de Kvk de rechtspersoon bij beschikking, tenzij inmiddels is gebleken dat de grond zich niet meer voordoet. Geen rechter toetst vooraf of de sanctie in de gegeven omstandigheden proportioneel is; de Kvk is aanklager, rechter en tenuitvoerlegger in één orgaan.

Nog verontrustender is artikel 25a: weliswaar staat tegen de ontbindingsbeschikking beroep open volgens de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar), maar de wetgever heeft uitdrukkelijk bepaald dat de artikelen 55 en 75 Lar daarop niet van toepassing zijn — de bepalingen die normaliter voorzien in schorsende werking en de mogelijkheid van een voorlopige voorziening hangende het beroep. Met andere woorden: de rechtspersoon houdt op te bestaan zodra de beschikking is gegeven, ook al is tegen die beschikking beroep ingesteld en ook al zou dat beroep uiteindelijk gegrond blijken. Artikel 25a, vierde lid, erkent dit probleem zelfs impliciet door een verlengingsgrond voor de verjaring te scheppen voor de periode waarin de rechtspersoon “had opgehouden te bestaan” — de wetgever gaat er dus zelf van uit dat een ontbinding achteraf ongedaan kan blijken, ná reeds ingetreden rechtsgevolgen.

Waarom dit wringt met artikel 1 Eerste Protocol EVRM

Aandelen, lidmaatschapsrechten en het vennootschapsvermogen gelden in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens als “possessions” in de zin van artikel 1 Eerste Protocol (A1P1). Ontbinding van de rechtspersoon — met het beëindigen van diens bestaan en de vereffening van zijn vermogen — is een inmenging in dat eigendomsrecht van aandeelhouders, leden en crediteuren. Het EHRM beoordeelt zulke inmengingen aan de hand van drie vragen: is de inmenging bij wet voorzien, dient zij een legitiem doel, en is er een “fair balance” tussen het algemeen belang en de individuele rechten van de betrokkenen.

Op de eerste twee punten is weinig af te dingen: de maatregel heeft een wettelijke grondslag en het op orde houden van een betrouwbaar handelsregister is een legitiem doel. Het derde punt is waar het huidige artikel 25 kwetsbaar is:

Geen voorafgaande onafhankelijke toetsing. Waar het EHRM in eigendomszaken bijzonder gewicht toekent aan procedurele waarborgen — waaronder toegang tot een onafhankelijke rechter vóórdat een ingrijpende maatregel effect sorteert — ontbeert de huidige regeling elke rechterlijke controle voorafgaand aan het rechtsgevolg. De rechtspersoon houdt op te bestaan door een besluit van de partij die zelf schuldeiser is.

Illusoir rechtsmiddel. Het uitsluiten van schorsende werking en voorlopige voorziening in artikel 25a maakt het beroep bij de Lar-rechter grotendeels theoretisch: de schade — verlies van rechtspersoonlijkheid, mogelijk verlies van contracten, bankrelaties en lopende procedures — is vaak al ingetreden voordat de rechter aan een inhoudelijke beoordeling toekomt.

Belangenverstrengeling. De Kvk int de schuld waarvan de niet-betaling de ontbindingsgrond vormt, besluit zelf tot ontbinding, kan zichzelf vervolgens tot vereffenaar benoemen (artikel 25b, eerste en tweede lid) en is voor de gevolgen van dat alles bij wet gevrijwaard van aansprakelijkheid (artikel 25b, vijfde lid). Eenzelfde orgaan is dus schuldeiser, beslisser, executeur en — potentieel — begunstigde van een vereffening, zonder enig tegenwicht.

Verkorte termijn zonder individuele beoordeling. Het criterium is zuiver mechanisch: één jaar achterstand volstaat, ongeacht de omvang van de schuld, de reden van de achterstand of de gevolgen voor derden (werknemers, crediteuren, medeaandeelhouders). Er is geen ruimte voor een evenredigheidsafweging in het individuele geval, terwijl minder ingrijpende incassomiddelen — een gewone vordering, beslag, opschorting van diensten — de Kvk gewoon ter beschikking staan.

Deze combinatie van factoren maakt het aannemelijk dat de huidige regeling, zoals zij na 2016 luidt, de “fair balance” van artikel 1 Eerste Protocol EVRM niet doorstaat.

Een goedkope ontbindingsroute

Het tweede probleem is minstens zo verontrustend: de regeling opent — ongewild of niet — een sluiproute om een rechtspersoon tegen vrijwel geen kosten en zonder de waarborgen van een reguliere vereffening te laten verdwijnen. Een formele ontbinding en vereffening via de statuten (artikel 27 e.v. Boek 2 BW) vergt notariële betrokkenheid, zorgvuldige afwikkeling van schulden, rekening en verantwoording aan schuldeisers en een slotbalans met een verzettermijn. Bestuurders die van een lastige, mogelijk noodlijdende vennootschap af willen zonder die stappen te doorlopen, hoeven onder het huidige artikel 25 nog maar één ding te doen: één jaar lang de jaarlijkse Kvk-bijdrage onbetaald laten, of eenvoudigweg geen bestuurders meer laten inschrijven. De Kvk doet vervolgens al het werk — publicatie, wachttermijn, beschikking — en kan zichzelf zelfs als vereffenaar aanwijzen. Voor de bestuurders is dit vrijwel kosteloos; voor de Kvk zelf is aansprakelijkheid bij wet uitgesloten. De gebruikelijke waarborgen voor overige schuldeisers — rekening en verantwoording, de verzettermijn van artikel 31 — worden zo omzeild of verzwakt, terwijl het risico van de afwikkeling feitelijk bij de boedel of, bij gebrek aan baten, bij niemand terechtkomt.

Conclusie

De wetswijziging van 2016 heeft artikel 25 Boek 2 BW niet alleen sneller en efficiënter gemaakt, maar ook fundamenteel van karakter doen veranderen: van een rechterlijke waarborg naar een zuiver administratieve, oncontroleerbare bevoegdheid van de schuldeiser zelf. Zolang de wetgever geen voorafgaande onafhankelijke toetsing, een schorsende werking van het beroep, of ten minste een scheiding tussen de rol van de Kvk als schuldeiser en die als beslisser/vereffenaar invoert, blijft het instrument kwetsbaar voor een beroep op artikel 1 Eerste Protocol EVRM — en blijft het tegelijk een goedkope, oneigenlijke route naar beëindiging van rechtspersonen openliggen.

De auteur is jurist. Dit artikel geeft een persoonlijke rechtsopvatting weer.